Review (Dutch) opusklassiek.nl January 2016





By Aart van der Wal.
http://opusklassiek.nl/cd-recensies/cd-aw/swarts01.htm

Ik zou de conservatoriumstudenten niet graag de kost geven die (veel te) weinig weten van de historische achtergronden van hun instrument, laat staan van onze rijke muziekgeschiedenis en al helemaal niet van de uitvoerende musici die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld. Om maar een willekeurige greep te doen: Clara Haskil, Annie Fischer, Wolfgang Schneiderhan, Pierre Fournier, Dinu Lipatti, Malcolm Sargent, Hamilton Harty, Jean Fournet, Eduard Flipse, John Pritchard, Kurt Sanderling, Otto Klemperer, Jevgeni Mravinski? Nooit van gehoord. Het is een ‘kwaal’ die ook bij beroepsmusici wordt aangetroffen, hoe vreemd dat ook mag klinken. Ik weet niet hoe symptomatisch dit voor de beroepsgroep als geheel is, maar ik mag er hopelijk en niet zonder vertrouwen vanuit gaan dat de meeste professionals wel goed op de hoogte zijn en dat zij in hun docerende taken die kennis ook uitdragen (hoewel dit wel enigszins haaks lijkt te staan op mij opmerking aan het begin: dat studenten gewoon te weinig weten). Enfin, het zijn bespiegelingen die gelukkig geen enkele betrekking hebben op de protagoniste op deze nieuwe cd: de Nederlandse celliste Lucia Swarts. Deze voormalige leerling van Anner Bijlsma speelt graag kamermuziek die zich uitstrekt over alle stijlperiodes die de muziekgeschiedenis rijk is. Daarnaast geeft ze les aan het Koninklijk Conservatorium met cello als hoofdvak, zowel de barok- als de ‘gewone’ cello; en natuurlijk geeft zij master classes. onder meer in Spanje.

Wie Lucia Swarts wil zien en horen kan terecht op de website van All of Bach, waar ze niet alleen Bachs Eerste cellosuite speelt, maar ook een boeiende toelichting ten beste geeft (klik voor de documentaire van twintig minuten op http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-1007/). Zoals collega Siebe in zijn recensie (klik hier) opmerkte: “Swarts legt in simpele bewoordingen en raakgekozen voorbeelden beter uit waar het wezen van deze muziek over gaat dan vele pagina’s geschreven tekst. Vooral haar motto ‘harmonie kost tijd’ zal voor veel mensen een eye-opener zijn. Het komt er in het kort op neer dat je in de Prelude van de Eerste Suite de eerste aangestreken toon, de grondtoon, een nanoseconde langer vast houdt om de harmonie de tijd te geven zich te ontvouwen. Nu weten kenners natuurlijk al lang dat zoiets in de praktijk heel gewoon is, maar Swarts laat ook even horen hoe men dat nog niet zo lang geleden speelde, en dan hoor je toch ineens hoeveel rek er in een interpretatie kan zitten.”

Swarts heeft al eerder vijf cd’s het licht doen zien, met cellosonates van Boccherini en Vivaldi, celloconcerten van Italiaanse componisten en negentiende-eeuwse werken voor cello en piano. Nu is er dan een zesde cd met de alleszeggende titel ‘The Italian origins of the violoncello’. Op Wikipedia vindt u een en ander over het instrument dat zoveel verwantschap vertoont met de menselijke stem en in de tweede helft van de zeventiende eeuw aan een ware opmars begon. Het begin moet echter nogal aarzelend zijn geweest, want virtuoos componeren voor zo’n ogenschijnlijk ‘log’ instrument lag niet bepaald voor de hand, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de ‘lenige’ viool, het instrument waar bijna iedere componist (meestal tevens uitvoerend musicus) wel voor wilde schrijven. In het cd-boekje wordt terecht de vraag opgeworpen wat eerder was, de ontwikkeling van dit instrument waar men ook virtuoos mee uit de voeten kon, of muziek die zo virtuoos was geschreven dat dit de speltechnische mogelijkheden ervan in een stroomversnelling moest brengen. De bekende kip of het ei, of misschien wel allebei. Andere snaren leverden in ieder geval een gemakkelijker speelwijze op, met bovendien een wekere of zo u wilt vriendelijker klank. Wat de positieve ontwikkeling van de cello zeker ook in de kaart speelde was het bloeiende Italiaanse muziekleven in de zeventiende eeuw, met de opkomst van grote bouwers als Nicola Amati (1596-1684), Andrea Guarneri (1626-1698) en Antonio Stradivari (1644-1737). Het vervaardigen van strijkinstrumenten moet een gezond beroep zijn geweest dat veel voldoening en levensgeluk gaf, want gedrieën werden ze in die tijd behoorlijk oud: Amati 86, Guarneri 72 en Stradivari maar liefst 93; en dat in een tijd waar de optimistische levensverwachting gemiddeld zo rond de 40 lag (aan het einde van de zeventiende eeuw was die in ons land bij de geboorte niet meer dan zo’n 30 jaar, terwijl vrouwen die een hoge leeftijd bereikten veelal voor ‘heks’ werden aangezien) Wat de opbloeiende kunsten in het algemeen zeker ook geholpen zal hebben was de politieke en sociale rust onder de heerschappij van de Spaanse Habsburger-dynastie. Later pakte dat anders uit, toen in Napels in 1647 een visser, Tommasso Masianiello, het opnam tegen de Spaanse heersers. Er was uiteindelijk de Vrede van Utrecht (1713) voor nodig om overal in Italië rust en voorspoed te laten wederkeren.

Het programma op deze cd is niet alleen logisch maar ook fantasievol opgebouwd, met in de eerste plaats de sonates (voor cello en klavecimbel) van Giuseppe Jacchini (1667-1727), die in Bologna, toen een van de belangrijkste kunstcentra in Italië, contrastrijke muziek schreef, zij het in de in die tijd gebruikelijke vorm. Jacchini behoorde, zoals veel van zijn collega’s, tot de plaatselijke ‘scola musicale’. Hun muzikale opleiding hadden ze of gekregen van de docenten aan de San Pedro basiliek, of ze waren daar (tevens) lid geweest van het kerkkoor, de ‘cappella musicale’, of ze speelden in het daarbij behorende instrumentaal ensemble (Jacchini was daarin cellist).

De stap naar Domenico Gabrielli (1659-1690) lijkt logisch, want hij was een van Jacchini’s muziekleraren en tevens de belangrijkste componist van de vroege cellowerken. Gabrielli was, voor zover we weten, ook de eerste componist die solostukken voor het instrument schreef, getuige de zeven ‘ricercari’ (het begrip staat letterlijk voor ‘uitzoeken’, al zou ‘uitproberen’ ook best passen). waarvan er drie op deze cd zijn vertegenwoordigd. In tegenstelling tot Jacchini schreef Gabrielli ‘experimenteel’: zijn composities getuigen van durf om de voor die tijd uiterste speltechnische grenzen van de cello te verkennen.

Alessandro Scarlatti (1660-1725) is met drie korte sonates vertegenwoordigd. Hij heeft het qua populariteit moeten afleggen tegen zijn zoon Domenico (1685-1757), de componist die wordt vereenzelvigd met een groot aantal instrumentale werken, waaronder maar liefst zo’n vijfhonderd voor uitsluitend het klavier. Alessandro was de talentvolle leerling van Giacomo Carissimi (1605-1674), grondlegger van de Napolitaanse school. Geboren in Palermo, ging Alessandro als twaalfjarige in 1672 naar Rome om in 1684 naar Napels te verhuizen. In 1702 keerde hij weer terug in Rome, om in 1708 voorgoed naar Napels terug te keren Alessandro heeft als componist, ‘maestro di cappella’ en docent een belangrijk stempel gezet op het muziekleven in die stad, met name op het gebied van de vocale muziek. Pas later in zijn leven wendde hij zich ook tot de instrumentale muziek. De drie sonates zijn van het type ‘sonata da chiesa’, kerksonate, en als zodanig stilistisch gemodelleerd naar Archangelo Corelli (1653-1713): eerst een lange, langzame introductie gevolgd door snelle fuga, daarna weer een langzaam deel en tot slot een hoofse dans. Zeker het langzame derde deel laat goed horen hoezeer Alessandro met zijn opera- en oratoriumstijl verknoopt was.

Giovanni Battista Bononcini (1670-1747) was een succesvolle barokcomponist die op zijn vele reizen het ene na het andere succes oogstte. Maar net als Antonio Vivaldi eindigde hij zijn leven in Wenen in bittere armoede, volkomen berooid en troosteloos. Zowel de aria ‘Pur ti riveggio ancor’ uit zijn serenade ‘La nemica d’Amore fatta amante’ als de Sonate in a voor cello solo laat horen hoe fantasierijk en vormvast Bononcini kon componeren, al moet er wel een waarschuwing bij: het zou kunnen zijn dat de Sonate is gecomponeerd door Giovanni’s jongere broer Antonio, wat aan het verbeeldingsvolle karakter ervan overigens niets af doet. De sonate is in de klassieke sonatevorm gezet, maar toch anders dan waaraan we gewend zijn geraakt, met eerst een tweedelig opgezet Andante, dan een Allegro in rondovorm met als besluit een driedelig dansant Grazioso-Menuetto- Grazioso.

De achternaam is Frans, maar Giovanni Lorenzo Lulier (1662-1700) was wel degelijk een volbloed Italiaan, al kan het zijn dat de wieg van zijn voorouders in Spanje heeft gestaan. Hij werd geboren en groeide op in Rome, waar hij een glanzende carrière als componist opbouwde. Volgens tijdgenoten was hij bovendien de beste cellist van zijn tijd. Hij schijnt ook stukken voor cello solo te hebben geschreven, maar die zijn niet bewaard gebleven. Wel hebben diverse vocale werken de tand des tijds overleefd, waaronder deze ‘cantata da camera’ voor sopraan, cello en klavecimbel. Van het jaar van ontstaan weten we niets, maar wel dat het werk meerdere recitatieven en aria’s bevat, gecomponeerd volgens de toen modieuze RARARA-vorm (drie paarsgewijze indeling). De veel gebruikte recitatiefvorm viel later bij het publiek geleidelijk in ongenade omdat het als ‘vervelend’ werden ervaren (een beeld dat in 1755 door Georg Philipp Telemann nog eens erd bevestigd).

De fantasierijke opbouw van het programma op deze cd kan niet beter worden onderbouwd dan door de gekozen variëteit: werken voor cello solo, voor twee celli, voor cello en klavecimbel, een cantate en een eveneens vocaal-instrumentale serenade in de vorm van een aria. Het technisch niveau is exemplarisch: dit zijn instrumentalisten die in dit repertoire gepokt en gezameld zijn, deze materie als geen ander kennen en beheersen. Zo is Richte van der Meer (hij vormt op deze cd met Lucia Swarts een prachtig duo) al jaren eerste cellist bij het Orkest van de Achttiende Eeuw en Siebe Henstra een veelgevraagde klavecinist die evenals Swarts master classes geeft en docent is aan het Utrechts conservatorium. Dan is er de sopraan Johannette Zomer, een begrip met veel statuur in de barokwereld maar ook daarbuiten. Zij steekt in glanzende vorm en met haar intense muzikaliteit en grote virtuositeit laat ze horen wat een aria als ‘I begli occhi del mio bene vincon tutte le belta’ uit de cantate ‘Amor, di che tu vioi’ van Lullier teweeg vermag te brengen. De Hervormde Kerk van Renswoude is een dankbare opnamelocatie: Frerik de Jong heeft van deze registratie een waar meesterwerk van gemaakt, zo doorzichtig als glas, maar warm van toon en volmaakt in balans. De beide celli zijn geen replica: Lucia Swarts bespeelt een cello van Pieter Rombouts (Amsterdam) uit 1705 en Richte van der Meer een Jacques Boquay, Parijs 1719. Het klavecimbel is wel een replica, naar Giovanni Battista Giusti, Lucca 1681.

0